Verhaal

Van getto naar park: toekomst en geschiedenis van Asterdorp

Geplaatst op 4 augustus 2020, 12:34 uur
In de toekomstplannen voor Buiksloterham speelt Villa Volten, het voormalige poortgebouw van Asterdorp, een rol. Het wordt onderdeel van een park. Aan het gebied kleeft een onthutsend verleden.

“Avond in Amsterdam-Noord. Een uitgestorven industriegebied. André Volten woont en werkt er al jaren. Zijn witgesausde bedrijfspand heeft een machinefabriek als overbuur. Grote metalen ringen liggen opgestapeld. André, staat er op de ene hoek van zijn huis en, het hoekje om, Volten. Het haakse naambord past bij hem.” Dit is de inleidende paragraaf van een interview met beeldhouwer André Volten uit 1988, in een boek waarin kunstenaars aan het woord komen die een werk maakten in om het Stadhuis-Muziektheater. Volten ontwierp het verzonken ronde plein voor de ingang aan de Amstel.

André Volten overleed in 2002, maar zijn atelier bestaat nog, het witte gebouw aan de Asterdwarsweg. Volten woonde en werkte decennia in Buiksloterham, in het poortgebouw. In de jaren tachtig voelde dat heel erg ver van alles en iedereen vandaan, wat wel blijkt uit de inleiding bij het interview. André Volten was in de jaren tachtig al een bekende kunstenaar van objecten in de openbare ruimte. Ook Amsterdammers die zijn naam niet kennen, kennen zijn knoop, aan de oever van het IJ bij de Grasweg, of zijn totempalen op het Frederiksplein. Na Voltens overlijden werd besloten zijn atelier niet te ontruimen, maar te bestemmen als Voltens archief. Het gebouw is in 2016 gerenoveerd en beperkt voor publiek toegankelijk.

André Volten was jarenlang een van de weinige bewoners in het industriegebied, samen met de woonbootbewoners in het Tolhuiskanaal en hier en daar een gezin in een opzichterswoning. Hij woonde en werkte in het meest historische stuk van Buiksloterham, het enige tastbare erfgoed van voormalig Asterdorp. In de Herijking van het Investeringsbesluit Buiksloterham worden plannen gepresenteerd voor dit stukje Buiksloterham. Voltens atelier vormt de kern van een plan voor een park en een museum. De Stichting André Volten zet zich hier al jarenlang voor in. 

Wat was Asterdorp?
In de plannen blijft het poortgebouw staan, de binnenruimte tussen de bebouwing wordt een beeldentuin. Aan de Chrysantenstraat is een museum ingetekend. De binnentuin wordt omsloten door hoogbouw. Deels staat deze er al, zoals het depot van Eye aan de Grasweg, en deels moet deze hoogbouw nog gerealiseerd worden. Onderdeel van de plannen is wel dat een aantal van de huidige gebruikers verkassen.
André Volten woonde en werkte in het poortgebouw, maar waar leidde die poort naartoe? Naar het sociale experiment Asterdorp. Van het fysieke Asterdorp is behalve van het poortgebouw niets bewaard gebleven. In de geschiedenis van Amsterdam resoneert het dorp echter nog altijd, als een roemrucht voorbeeld van gemeentelijke inspanningen – dan wel bemoeizucht – met het privéleven van de armste bevolkingsgroep. Het is uniek in de stad er nog iets tastbaars bestaat wat kan worden gebruikt om het verhaal over Asterdorp honderd jaar later te kunnen vertellen. 
Asterdorp zelf was een ommuurd wijkje met laagbouwwoningen, dat in het stratenplan nog altijd te zien is, ruwweg in de vijfhoek die wordt begrensd door de Asterweg, de Chrysantenstraat, de Grasweg en de Asterdwarsweg. 

Hoe het verhaal van Asterdorp als sociaal experiment vorm krijgt en wat toekomstige generaties bezoekers hierover gaan horen, is nog niet duidelijk.

Opvoedkundige ambities
Asterdorp ontstond in het kielzog van de grote woningbouwplannen die Amsterdam ontwikkelde nadat de Woningwet van 1901 was aangenomen en gemeenten verantwoordelijkheid moesten nemen voor de huisvesting van hun inwoners. Gemeentelijke bouwers en zelfstandige woningbouwverenigingen maakten plannen en keken naar hun toekomstige klandizie. De werkende klasse die het zich kon veroorloven om te huren bij een van de woningbouwverenigingen hoefde niet door de gemeente te worden gehuisvest, de onderklasse zonder vast werk en zonder vast inkomen bleef over. Meerdere gemeentelijke diensten begonnen zich om die onderklasse te bekommeren.
Veel nieuwbouwplannen, die door de Eerste Wereldoorlog lang werden uitgesteld, konden vanaf 1919 doorgang vinden. Woningbouwverenigingen bouwden, maar ook de gemeente zelf. Wie kwamen voor de nieuwe woningen in aanmerking, en vooral… wie niet? De bewoners van de onbewoonbaar verklaarde krotten in de Jordaan en de Waterloopleinbuurt moesten gehuisvest, maar sommige gezinnen gedroegen zich ‘onaangepast’, volgens de normen van die tijd. Moesten de mooie nieuwbouwwoningen die de gemeente wilde bouwen aan deze gezinnen worden toegewezen? Arie Keppler, de directeur van de Woningdienst, zag in het buitenland hoe in andere steden de ‘onaangepasten’ apart werden gehuisvest, in aparte ommuurde woonwijken, dan wel in nieuwbouwblokken die ver buiten de bebouwde kom lagen. Hier leerden de bewoners hoe zij zich moesten gedragen als goede huurders. Niet te veel op straat hangen, niet te veel kaarten en vechten met de buren, niet te veel drinken, de kinderen naar school en de kleren fris gewassen. Wie deze regels niet goedschiks opvolgde, kon worden gestraft met verbanning naar een trainingskamp.

Op zich was bemoeienis met onaangepasten geen nieuw fenomeen. In de negentiende eeuw waren vanuit het hele land armen naar Veenhuizen in Drenthe gestuurd om daar te werk gesteld te worden en een vroege vorm van verslavingszorg te ondergaan. De twintigste-eeuwse Amsterdamse variant ging echter uit van preventie. Door preventief onaangepaste gezinnen te scheiden van hun buren van wie het gedrag wel door de beugel kon, werden de nieuwe huizen goed bewoond en de probleemgevallen getraind om zelf ooit ook een mooie nieuwbouwwoning te kunnen bewonen. Het preventieve karakter was uniek voor Amsterdam. Je hoefde je niet onaangepast te gedragen om preventief te worden verwijderd naar Asterdorp, een beoordeling van een opzichteres - iemand die het gemeentelijk woningbezit in de gaten hield - was voldoende. Sommige mensen zaten al op het netvlies: woonbootbewoners, straathandelaren, grote gezinnen.
Aan de toenmalige randen van de stad verrezen twee woningstrainingsdorpen waar het toezicht van gemeentewege stevig werd ingezet: Asterdorp in Buiksloterham en de Woonschool Zeeburgerdorp (barakken aan het eind van het Zeeburgerpad in Oost). In 1927 was de officiële opening. Het waren eenvoudige, zeer sobere huizen, ver van de toenmalige bewoonde wereld. Omdat de woningen zo goedkoop mogelijk waren neergeplempt, waren er al snel problemen met het grondwater, vocht en schimmel. De woningen mochten nu eenmaal niet te aantrekkelijk zijn. Wie er eenmaal terecht kwam, had twee mogelijkheden: zelf zo snel mogelijk wegtrekken naar een huurwoning van een particuliere eigenaar, of wachten tot de opzichteressen je positief beoordeelden en een gereguleerde verhuizing naar een gemeentewoning elders mogelijk werd.

"De ruwe gezinnen vormden een kleine groep op Asterdorp. De grootste groep Asterdorpers bestond uit een conglomeraat van pechvogels, mensen met schulden, kinderrijke gezinnen waarbij de vrouw verstandelijk of lichamelijk zwak of ziek was, gelukszoekers, dwarse types, dromers, rommelaars. Daar
hoorden ook de goeiige types bij die braaf alles deden wat de gemeente opdroeg.
Zo woonde midden tussen de vechtersbazen van het eerste straatje het echtpaar Goedhart met zes kinderen. Goedhart was met zijn vrouw en kroost naar Asterdorp gestuurd omdat hij 'opstandig' gedrag had vertoond en daarmee als ontoelaatbaar was bestempeld. Ze woonden op een eenkamerwoning in de Jordaan. De wc moesten ze delen met drie andere gezinnen, onder wie enkele tbc-patiënten. Een onhoudbare situatie en de woning werd dan ook onbewoonbaar verklaard. Het aanbod van een nieuwe woning bleef echter lang uit, zo lang dat Goedhart ongedurig werd en zich een brutale opmerking had gepermitteerd."

Dit is een citaat uit Asterdorp. Een Amsterdamse geschiedenis van verheffing en vernedering van Stephan Steinmetz. Steinmetz promoveerde in 2016 op de geschiedenis van Asterdorp en het ideaal van verheffing, op basis van rapporten die hij in het kantoor van de voormalige Woningdienst op de Distelweg vond. Hij spoorde oud-bewoners op en maakte interviews met Amsterdammers die er waren opgegroeid en sprak met een voormalig woninginspectrice. In zijn onthullende en onthutsende boek staan allerlei foto’s en illustraties, die een beeld geven hoe het eruit moet hebben gezien. Steinmetz behandelt het stigma dat bewoners kregen en plaatst dat tegenover het enthousiasme van de bedenkers. Hij analyseert de politieke ontstaansgeschiedenis van Asterdorp, de ideologische worteling en de geleidelijke ondergang. Hij fileert het maakbaarheidsdenken en beschrijft hoe dit na de oorlog nog een kleine opleving kende, met het gedwongen vertrek van ‘asociale gezinnen’ naar leegstaande werkkampen in Drenthe.

Getto 
Aan het eind van de jaren dertig liep Asterdorp langzaam leeg. Met het vertrek van de laatste gezinnen in 1938-1939 ging Asterdorp een nieuwe fase in. In 1940 leek Asterdorp een uitgelezen plek om gezinnen die door het bombardement op Rotterdam dakloos waren gemaakt te huisvesten, in elk geval tijdelijk. En in 1942 zag de Duitse bezetter nieuwe kansen: Asterdorp was de ideale plek voor een getto voor Joden voor wie in Kamp Westerbork nog geen plaats was. Het terrein was immers ommuurd en lag nog steeds op enige afstand van andere huizen. En, niet onbelangrijk, het waren gemeentewoningen: de overheid was eigenaar. Duitse Joden uit het Gooi arriveerden in juni 1942, in november 1942 gevolgd door Nederlandse Joden uit Amsterdam. Een paar maanden later werd besloten Asterdorp te ontruimen en Joden te concentreren in een getto in de Transvaalbuurt, niet toevallig ook een buurt waar de gemeente vele woningen in haar bezit had.
Was het toen klaar? Nee. In 1947 moesten de huizen nogmaals opgekalefaterd. Gedwongen door de woningnood trokken arme gezinnen naar het Tolhuiscomplex, de nieuwe naam voor Asterdorp. De muur werd grotendeels gesloopt en er kwamen tuintjes. De huizen bleken echter nog steeds zo vochtig dat de laatste bewoner al snel vertrok, behalve de jonge beeldhouwer in het poortgebouw dus. De rest van Asterdorp werd in 1955 gesloopt.  

Vanuit Asterdorp konden sommige Joodse gezinnen onderduiken. Hun getuigenissen zijn verzameld in de documentaire Het Vergeten Getto van Saskia van den Heuvel. Deze film is te bestellen op één DVD samen met Het Einde van de Wereld, een film over Asterdorp en André Volten, via deze link. Wie meer wil lezen over bemoeienis met 'onaangepasten' tot aan de dag van vandaag, vindt hier een uitgebreide lijst met artikelen en boeken over dit onderwerp.

2 afbeeldingen